← Terug Download als PDF
Toch Weer Taal groep 8 · toets 202610

Proeftoets taal

Naam:

Datum:

Je hebt 45 minuten voor 30 opgaven. Een woordenboek mag niet. Schrijf je antwoord op de lijn; bij meerkeuze zet je een rondje om de goede letter. Weet je een opgave niet? Ga door en kom er later op terug.

  1. 1.
    In welke zin staan de leestekens goed?

    A "kijk uit voor die fietser!" riep Fenna.

    B "Kijk uit voor die fietser!", riep Fenna.

    C "Kijk uit voor die fietser!" riep Fenna.

    D "Kijk uit voor die fietser!" Riep Fenna.

  2. 2.
    In deze zin is knieen fout geschreven. Schrijf het goed op.
    Na de val op het schoolplein zaten er schrammen op haar knieen.

    Antwoord:

  3. 3.
    Vul de juiste vorm in: tt (nu) – zwemmen
    Tess nu sneller dan alle andere meisjes van haar vereniging.

    Antwoord:

  4. 4.
    Maak een verkleinwoord van pyjama.

    Antwoord:

  5. 5.
    In deze zin is realitijt fout geschreven. Schrijf het goed op.
    Na de zomervakantie kwam de realitijt van huiswerk maken weer terug.

    Antwoord:

  6. 6.
    Welke vorm hoort op de puntjes?
    Op de markt Lotte vandaag folders voor het schoolfeest.

    A verspreidd

    B verspreid

    C verspreit

    D verspreidt

  7. 7.
    Wat is de persoonsvorm in deze zin?
    Ik heb vorige week een spannende serie gekeken.

    A vorige week

    B Ik

    C heb

    D gekeken

  8. 8.
    Welk woord hoort op de puntjes?
    In het zwembad deden de een wedstrijdje wie het langst onder water bleef.

    A meisjes

    B meisjen

    C meisje's

  9. 9.
    Welke vorm hoort op de puntjes?
    Het weer snel, dus we nemen een regenjas mee.

    A veranderd

    B verandert

    C veranderdt

    D verander

  10. 10.
    In deze zin is kniker fout geschreven. Schrijf het goed op.
    De kniker rolde onder de kast en was weg.

    Antwoord:

  11. 11.
    Welke vorm hoort op de puntjes?
    Hoe jij die moeilijke uitleg over breuken nu zo snel?

    A begrijpd

    B begrijpt

    C begrijpdt

    D begrijp

  12. 12.
    Welke vorm hoort op de puntjes?
    Na de finale van gisteren de spelers elkaar netjes een hand.

    A gaften

    B gaven

    C gaf

    D gafdten

  13. 13.
    Welk woord hoort op de puntjes?
    Omdat de wekker te vroeg ging, stond ik op het perron.

    A slaapdronken

    B slaabdronken

  14. 14.
    Vul de juiste vorm in: beantwoorden
    De vragen verdwenen meteen uit het scherm van de quiz.

    Antwoord:

  15. 15.
    Welke vorm hoort op de puntjes?
    De ontdekkingsreizigers hebben kaarten van onbekende kusten naar Europa .

    A gebrachd

    B gebracht

    C gebrachdt

  16. 16.
    In welke zin staan de hoofdletters goed?

    A Vandaag rijdt meneer van den Berg de bus naar het kamp.

    B Vandaag rijdt meneer Van den Berg de bus naar het kamp.

    C Vandaag rijdt meneer Van Den Berg de bus naar het kamp.

  17. 17.
    Welk woord hoort op de puntjes?
    In spreekbeurt ging het over vulkanen.

    A Mohammeds'

    B Mohammeds

    C Mohammed's

  18. 18.
    Welke zin is goed geschreven?

    A In de lente begint de bevroren grond langzaam te ontooien.

    B In de lente begint de bevroren grond langzaam te ontdooien.

    C In de lente begint de bevroren grond langzaam te ondooien.

  19. 19.
    Wat is de bijzin?
    Bram koopt een ijsje als hij morgen zijn folders heeft bezorgd.

    A Als hij morgen zijn folders heeft bezorgd

    B Bram koopt een ijsje als hij morgen zijn folders heeft bezorgd.

    C Bram koopt een ijsje

  20. 20.
    Welk woord helpt je om eb goed te schrijven?

    A zaadlobben

    B poppen

    C ebben

    D trappen

  21. 21.
    Vul de juiste vorm in: geven
    Fenna, Isa een betere pass op de linkerkant!

    Antwoord:

  22. 22.
    In deze zin is miljeu fout geschreven. Schrijf het goed op.
    Voor dit project verzamelden we afval om het miljeu te helpen.

    Antwoord:

  23. 23.
    In deze zin is verjaardagtaart fout geschreven. Schrijf het goed op.
    Op de verjaardagtaart van Sem stonden twaalf kaarsjes.

    Antwoord:

  24. 24.
    Vul de goede vorm in van moeilijk.
    Op de toets stond niets , want we hadden goed geoefend.

    Antwoord:

  25. 25.
    Waar staan de leestekens en hoofdletters goed?

    A De Romeinen legden lange wegen aan. Over die wegen reden karren vol graan.

    B De Romeinen legden lange wegen aan over. Die wegen reden karren vol graan.

    C De Romeinen legden lange wegen aan over die wegen reden karren vol graan.

    D De Romeinen legden lange wegen aan. over die wegen reden karren vol graan.

  26. 26.
    Welk woord hoort op de puntjes?
    Bij de werkplaats van de timmerman hangt een groot aan de muur.

    A stofilter

    B stoffilter

    C stof filter

  27. 27.
    Vul de juiste vorm in: veranderen
    Het plan voor de schoolreis is door de regen .

    Antwoord:

  28. 28.
    In welke zin staan de komma's goed?

    A Zolang de verf nat is mag je de deur niet aanraken.

    B Zolang de verf, nat is mag je de deur niet aanraken.

    C Zolang de verf nat is, mag je de deur niet aanraken.

  29. 29.
    In deze zin is allergish fout geschreven. Schrijf het goed op.
    Mijn zusje is allergish voor pinda's en kattenharen.

    Antwoord:

  30. 30.
    Vul de juiste vorm in: geloven
    Lange tijd de geleerden dat er leven op Mars was.

    Antwoord:

Antwoordblad

groep 8 · toets 202610

Score: van de 30 goed

Nr. Antwoord Onderwerp Niveau
1 C "Kijk uit voor die fietser!" riep Fenna. Directe rede basis
2 knieën Trema en koppelteken basis
3 zwemt Tegenwoordige tijd basis
4 pyjamaatje Verkleinwoorden gemiddeld
5 realiteit Achtervoegsels basis
6 D verspreidt Hoor je niet uitdagend
7 C heb Zinsdelen gemiddeld
8 A meisjes Meervoud uitdagend
9 B verandert Tegenwoordige tijd basis
10 knikker Klankgroepen gemiddeld
11 D begrijp Instinkers gemiddeld
12 B gaven Verleden tijd gemiddeld
13 A slaapdronken Gelijkvormigheid gemiddeld
14 beantwoorde Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord uitdagend
15 B gebracht Voltooid deelwoord gemiddeld
16 B Vandaag rijdt meneer Van den Berg de bus naar het kamp. Hoofdletters en punten uitdagend
17 B Mohammeds Apostrof basis
18 B In de lente begint de bevroren grond langzaam te ontdooien. Voorvoegsels gemiddeld
19 A Als hij morgen zijn folders heeft bezorgd Zinsbouw gemiddeld
20 C ebben Verlengen gemiddeld
21 geef Tegenwoordige tijd uitdagend
22 milieu Onthoudwoorden basis
23 verjaardagstaart Tussenklank basis
24 moeilijks Bijvoeglijk naamwoord gemiddeld
25 A De Romeinen legden lange wegen aan. Over die wegen reden karren vol graan. Hoofdletters en punten gemiddeld
26 B stoffilter Samenstellingen gemiddeld
27 veranderd Voltooid deelwoord gemiddeld
28 C Zolang de verf nat is, mag je de deur niet aanraken. De komma uitdagend
29 allergisch Achtervoegsels basis
30 geloofden Verleden tijd gemiddeld

Uitwerkingen

1. Directe rede

  1. Wat iemand letterlijk zegt, staat tussen aanhalingstekens. Vooraf gaat een dubbele punt, en het begint met een hoofdletter.
  2. Goed is: "Kijk uit voor die fietser!" riep Fenna.

2. Trema en koppelteken

  1. Twee klinkers naast elkaar zou je als één klank kunnen lezen. Met puntjes op de tweede klinker zie je dat er een nieuwe klankgroep begint: knie-en.
  2. Je schrijft knieën.

3. Tegenwoordige tijd

  1. Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
  2. Onderwerp: Tess (enkelvoud).
  3. Ik-vorm + t: ik-vorm zwem + t = zwemt.

4. Verkleinwoorden

  1. Grondwoord: pyjama.
  2. Het grondwoord eindigt op een klinker. Die klinker blijft lang, dus je schrijft hem dubbel en dan -tje.
  3. Je schrijft pyjamaatje.

5. Achtervoegsels

  1. -teit schrijf je met ei en een t: maak het langer, dan hoor je de t (teiten).
  2. Je schrijft realiteit.

6. Hoor je niet

  1. Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
  2. Onderwerp: Lotte (enkelvoud).
  3. Ik-vorm + t: ik-vorm verspreid + t = verspreidt.
  4. Je hoort de t niet, maar hij hoort er wel. Proef: zet er loopt voor in de plaats. Hij loopt: met een t.

7. Zinsdelen

  1. Zet de zin in een andere tijd. Het woord dat dan verandert, is de persoonsvorm.
  2. Dat is heb.

8. Meervoud

  1. Bij dit woord maak je het meervoud met -s, zonder apostrof.
  2. Eén meisje, twee meisjes.

9. Tegenwoordige tijd

  1. Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
  2. Onderwerp: het weer (enkelvoud).
  3. Ik-vorm + t: ik-vorm verander + t = verandert.

10. Klankgroepen

  1. Klap het woord in klankgroepen: knik-ker.
  2. De klank is kort: dan schrijf je de medeklinker dubbel.
  3. Je schrijft knikker.

11. Instinkers

  1. Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
  2. Onderwerp: jij.
  3. Ik-vorm: bij ik schrijf je alleen de ik-vorm, zonder t: begrijp.

12. Verleden tijd

  1. Tijd: het gebeurde al eerder, dus verleden tijd.
  2. Onderwerp: de spelers (meervoud).
  3. Klankveranderend: de klank verandert (geven – gaf), dus 't kofschip-x is niet nodig.
  4. Enkelvoud: geen uitgang, geen t. Meervoud: -en erachter.
  5. Hier: gaven.

13. Gelijkvormigheid

  1. Twee klanken naast elkaar veranderen als je ze uitspreekt. Daardoor hoor je iets anders dan je schrijft.
  2. Elk stukje houdt zijn eigen schrijfwijze: slaap + dronken.
  3. Je schrijft slaapdronken.

14. Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord

  1. Dit woord hoort bij een zelfstandig naamwoord: een bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord.
  2. Voltooid deelwoord: beantwoord. Daar komt een -e achter. Je hoort nu ook de goede letter.
  3. Het goede woord is beantwoorde.

15. Voltooid deelwoord

  1. Voltooid deelwoord: de zin heeft een vorm van hebben, zijn of worden, en dit woord staat aan het eind van het gezegde.
  2. Dit werkwoord is onregelmatig: onthoud gebracht.
  3. Het goede woord is gebracht.

16. Hoofdletters en punten

  1. Namen van mensen, plaatsen, landen, talen en inwoners krijgen een hoofdletter, dagen en maanden niet.
  2. Goed is: Vandaag rijdt meneer Van den Berg de bus naar het kamp.

17. Apostrof

  1. Eindigt de naam op een medeklinker? Dan alleen een s, zonder apostrof.
  2. Je schrijft Mohammeds.

18. Voorvoegsels

  1. ont- is een voorvoegsel: een stukje dat vóór een woord komt. Dat schrijf je altijd hetzelfde.
  2. Je schrijft ontdooien.

19. Zinsbouw

  1. Een bijzin kan niet los een zin zijn. De persoonsvorm staat er achteraan of bijna achteraan, en hij begint vaak met een voegwoord.
  2. Bijzin: als hij morgen zijn folders heeft bezorgd. Hoofdzin: Bram koopt een ijsje.

20. Verlengen

  1. Aan het eind van een woord hoor je een /p/, ook als je een b schrijft. Dus: langer maken.
  2. Maak het woord langer: ebben. Nu hoor je een b.
  3. Je schrijft eb.

21. Tegenwoordige tijd

  1. Gebiedende wijs: iemand krijgt een opdracht. Dan schrijf je de ik-vorm: geef.

22. Onthoudwoorden

  1. Dit woord komt uit een andere taal en houdt een eigen schrijfwijze. Frans: je hoort ljeu, je schrijft lieu.
  2. Je schrijft milieu.

23. Tussenklank

  1. Je hoort op die plek een /s/. Dan schrijf je ook een s.
  2. Je schrijft verjaardagstaart.

24. Bijvoeglijk naamwoord

  1. Na iets, niets of wat krijgt het woord een -s.
  2. Je schrijft moeilijks.

25. Hoofdletters en punten

  1. Een zin begint met een hoofdletter en eindigt met een punt.
  2. Goed is: De Romeinen legden lange wegen aan. Over die wegen reden karren vol graan.

26. Samenstellingen

  1. Dit woord is gemaakt van twee woorden. Je schrijft ze aan elkaar, en elk woord blijft zoals het is.
  2. Het eerste woord eindigt op dezelfde letter als het tweede begint. Daarom staat die letter er twee keer.
  3. Je schrijft stoffilter.

27. Voltooid deelwoord

  1. Voltooid deelwoord: de zin heeft een vorm van hebben, zijn of worden, en dit woord staat aan het eind van het gezegde.
  2. Maak het langer: de veranderde ... Je hoort een d.
  3. Een woord met be-, ge-, her-, ont- of ver- krijgt geen extra ge-.
  4. Het goede woord is veranderd.

28. De komma

  1. Staan er twee persoonsvormen naast elkaar, dan staat er een komma tussen.
  2. Goed is: Zolang de verf nat is, mag je de deur niet aanraken.

29. Achtervoegsels

  1. Je hoort /ies/, maar je schrijft isch. Maak het langer: logisch → logische.
  2. Je schrijft allergisch.

30. Verleden tijd

  1. Tijd: het gebeurde al eerder, dus verleden tijd.
  2. Onderwerp: de geleerden (meervoud).
  3. Klankvast: de klank verandert niet, dus je gebruikt 't kofschip-x.
  4. Hele werkwoord zonder -en: gelov, laatste letter v. Die staat niet in 't kofschip-x, dus de(n).
  5. Ik-vorm geloof + den = geloofden.