Proeftoets taal
Naam:
Datum:
Je hebt 45 minuten voor 30 opgaven. Een woordenboek mag niet. Schrijf je antwoord op de lijn; bij meerkeuze zet je een rondje om de goede letter. Weet je een opgave niet? Ga door en kom er later op terug.
-
1.
In welke zin staan de leestekens goed?
A "kijk uit voor die fietser!" riep Fenna.
B "Kijk uit voor die fietser!", riep Fenna.
C "Kijk uit voor die fietser!" riep Fenna.
D "Kijk uit voor die fietser!" Riep Fenna.
-
2.
In deze zin is knieen fout geschreven. Schrijf het goed op.
Na de val op het schoolplein zaten er schrammen op haar knieen.Antwoord:
-
3.
Vul de juiste vorm in: tt (nu) – zwemmen
Tess nu sneller dan alle andere meisjes van haar vereniging.Antwoord:
-
4.
Maak een verkleinwoord van pyjama.
Antwoord:
-
5.
In deze zin is realitijt fout geschreven. Schrijf het goed op.
Na de zomervakantie kwam de realitijt van huiswerk maken weer terug.Antwoord:
-
6.
Welke vorm hoort op de puntjes?
Op de markt Lotte vandaag folders voor het schoolfeest.A verspreidd
B verspreid
C verspreit
D verspreidt
-
7.
Wat is de persoonsvorm in deze zin?
Ik heb vorige week een spannende serie gekeken.A vorige week
B Ik
C heb
D gekeken
-
8.
Welk woord hoort op de puntjes?
In het zwembad deden de een wedstrijdje wie het langst onder water bleef.A meisjes
B meisjen
C meisje's
-
9.
Welke vorm hoort op de puntjes?
Het weer snel, dus we nemen een regenjas mee.A veranderd
B verandert
C veranderdt
D verander
-
10.
In deze zin is kniker fout geschreven. Schrijf het goed op.
De kniker rolde onder de kast en was weg.Antwoord:
-
11.
Welke vorm hoort op de puntjes?
Hoe jij die moeilijke uitleg over breuken nu zo snel?A begrijpd
B begrijpt
C begrijpdt
D begrijp
-
12.
Welke vorm hoort op de puntjes?
Na de finale van gisteren de spelers elkaar netjes een hand.A gaften
B gaven
C gaf
D gafdten
-
13.
Welk woord hoort op de puntjes?
Omdat de wekker te vroeg ging, stond ik op het perron.A slaapdronken
B slaabdronken
-
14.
Vul de juiste vorm in: beantwoorden
De vragen verdwenen meteen uit het scherm van de quiz.Antwoord:
-
15.
Welke vorm hoort op de puntjes?
De ontdekkingsreizigers hebben kaarten van onbekende kusten naar Europa .A gebrachd
B gebracht
C gebrachdt
-
16.
In welke zin staan de hoofdletters goed?
A Vandaag rijdt meneer van den Berg de bus naar het kamp.
B Vandaag rijdt meneer Van den Berg de bus naar het kamp.
C Vandaag rijdt meneer Van Den Berg de bus naar het kamp.
-
17.
Welk woord hoort op de puntjes?
In spreekbeurt ging het over vulkanen.A Mohammeds'
B Mohammeds
C Mohammed's
-
18.
Welke zin is goed geschreven?
A In de lente begint de bevroren grond langzaam te ontooien.
B In de lente begint de bevroren grond langzaam te ontdooien.
C In de lente begint de bevroren grond langzaam te ondooien.
-
19.
Wat is de bijzin?
Bram koopt een ijsje als hij morgen zijn folders heeft bezorgd.A Als hij morgen zijn folders heeft bezorgd
B Bram koopt een ijsje als hij morgen zijn folders heeft bezorgd.
C Bram koopt een ijsje
-
20.
Welk woord helpt je om eb goed te schrijven?
A zaadlobben
B poppen
C ebben
D trappen
-
21.
Vul de juiste vorm in: geven
Fenna, Isa een betere pass op de linkerkant!Antwoord:
-
22.
In deze zin is miljeu fout geschreven. Schrijf het goed op.
Voor dit project verzamelden we afval om het miljeu te helpen.Antwoord:
-
23.
In deze zin is verjaardagtaart fout geschreven. Schrijf het goed op.
Op de verjaardagtaart van Sem stonden twaalf kaarsjes.Antwoord:
-
24.
Vul de goede vorm in van moeilijk.
Op de toets stond niets , want we hadden goed geoefend.Antwoord:
-
25.
Waar staan de leestekens en hoofdletters goed?
A De Romeinen legden lange wegen aan. Over die wegen reden karren vol graan.
B De Romeinen legden lange wegen aan over. Die wegen reden karren vol graan.
C De Romeinen legden lange wegen aan over die wegen reden karren vol graan.
D De Romeinen legden lange wegen aan. over die wegen reden karren vol graan.
-
26.
Welk woord hoort op de puntjes?
Bij de werkplaats van de timmerman hangt een groot aan de muur.A stofilter
B stoffilter
C stof filter
-
27.
Vul de juiste vorm in: veranderen
Het plan voor de schoolreis is door de regen .Antwoord:
-
28.
In welke zin staan de komma's goed?
A Zolang de verf nat is mag je de deur niet aanraken.
B Zolang de verf, nat is mag je de deur niet aanraken.
C Zolang de verf nat is, mag je de deur niet aanraken.
-
29.
In deze zin is allergish fout geschreven. Schrijf het goed op.
Mijn zusje is allergish voor pinda's en kattenharen.Antwoord:
-
30.
Vul de juiste vorm in: geloven
Lange tijd de geleerden dat er leven op Mars was.Antwoord:
Antwoordblad
groep 8 · toets 202610Score: van de 30 goed
| Nr. | Antwoord | Onderwerp | Niveau |
|---|---|---|---|
| 1 | C "Kijk uit voor die fietser!" riep Fenna. | Directe rede | basis |
| 2 | knieën | Trema en koppelteken | basis |
| 3 | zwemt | Tegenwoordige tijd | basis |
| 4 | pyjamaatje | Verkleinwoorden | gemiddeld |
| 5 | realiteit | Achtervoegsels | basis |
| 6 | D verspreidt | Hoor je niet | uitdagend |
| 7 | C heb | Zinsdelen | gemiddeld |
| 8 | A meisjes | Meervoud | uitdagend |
| 9 | B verandert | Tegenwoordige tijd | basis |
| 10 | knikker | Klankgroepen | gemiddeld |
| 11 | D begrijp | Instinkers | gemiddeld |
| 12 | B gaven | Verleden tijd | gemiddeld |
| 13 | A slaapdronken | Gelijkvormigheid | gemiddeld |
| 14 | beantwoorde | Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord | uitdagend |
| 15 | B gebracht | Voltooid deelwoord | gemiddeld |
| 16 | B Vandaag rijdt meneer Van den Berg de bus naar het kamp. | Hoofdletters en punten | uitdagend |
| 17 | B Mohammeds | Apostrof | basis |
| 18 | B In de lente begint de bevroren grond langzaam te ontdooien. | Voorvoegsels | gemiddeld |
| 19 | A Als hij morgen zijn folders heeft bezorgd | Zinsbouw | gemiddeld |
| 20 | C ebben | Verlengen | gemiddeld |
| 21 | geef | Tegenwoordige tijd | uitdagend |
| 22 | milieu | Onthoudwoorden | basis |
| 23 | verjaardagstaart | Tussenklank | basis |
| 24 | moeilijks | Bijvoeglijk naamwoord | gemiddeld |
| 25 | A De Romeinen legden lange wegen aan. Over die wegen reden karren vol graan. | Hoofdletters en punten | gemiddeld |
| 26 | B stoffilter | Samenstellingen | gemiddeld |
| 27 | veranderd | Voltooid deelwoord | gemiddeld |
| 28 | C Zolang de verf nat is, mag je de deur niet aanraken. | De komma | uitdagend |
| 29 | allergisch | Achtervoegsels | basis |
| 30 | geloofden | Verleden tijd | gemiddeld |
Uitwerkingen
1. Directe rede
- Wat iemand letterlijk zegt, staat tussen aanhalingstekens. Vooraf gaat een dubbele punt, en het begint met een hoofdletter.
- Goed is: "Kijk uit voor die fietser!" riep Fenna.
2. Trema en koppelteken
- Twee klinkers naast elkaar zou je als één klank kunnen lezen. Met puntjes op de tweede klinker zie je dat er een nieuwe klankgroep begint: knie-en.
- Je schrijft knieën.
3. Tegenwoordige tijd
- Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: Tess (enkelvoud).
- Ik-vorm + t: ik-vorm zwem + t = zwemt.
4. Verkleinwoorden
- Grondwoord: pyjama.
- Het grondwoord eindigt op een klinker. Die klinker blijft lang, dus je schrijft hem dubbel en dan -tje.
- Je schrijft pyjamaatje.
5. Achtervoegsels
- -teit schrijf je met ei en een t: maak het langer, dan hoor je de t (teiten).
- Je schrijft realiteit.
6. Hoor je niet
- Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: Lotte (enkelvoud).
- Ik-vorm + t: ik-vorm verspreid + t = verspreidt.
- Je hoort de t niet, maar hij hoort er wel. Proef: zet er loopt voor in de plaats. Hij loopt: met een t.
7. Zinsdelen
- Zet de zin in een andere tijd. Het woord dat dan verandert, is de persoonsvorm.
- Dat is heb.
8. Meervoud
- Bij dit woord maak je het meervoud met -s, zonder apostrof.
- Eén meisje, twee meisjes.
9. Tegenwoordige tijd
- Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: het weer (enkelvoud).
- Ik-vorm + t: ik-vorm verander + t = verandert.
10. Klankgroepen
- Klap het woord in klankgroepen: knik-ker.
- De klank is kort: dan schrijf je de medeklinker dubbel.
- Je schrijft knikker.
11. Instinkers
- Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: jij.
- Ik-vorm: bij ik schrijf je alleen de ik-vorm, zonder t: begrijp.
12. Verleden tijd
- Tijd: het gebeurde al eerder, dus verleden tijd.
- Onderwerp: de spelers (meervoud).
- Klankveranderend: de klank verandert (geven – gaf), dus 't kofschip-x is niet nodig.
- Enkelvoud: geen uitgang, geen t. Meervoud: -en erachter.
- Hier: gaven.
13. Gelijkvormigheid
- slaap + dronken = slaapdronken
- Twee klanken naast elkaar veranderen als je ze uitspreekt. Daardoor hoor je iets anders dan je schrijft.
- Elk stukje houdt zijn eigen schrijfwijze: slaap + dronken.
- Je schrijft slaapdronken.
14. Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord
- Dit woord hoort bij een zelfstandig naamwoord: een bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord.
- Voltooid deelwoord: beantwoord. Daar komt een -e achter. Je hoort nu ook de goede letter.
- Het goede woord is beantwoorde.
15. Voltooid deelwoord
- Voltooid deelwoord: de zin heeft een vorm van hebben, zijn of worden, en dit woord staat aan het eind van het gezegde.
- Dit werkwoord is onregelmatig: onthoud gebracht.
- Het goede woord is gebracht.
16. Hoofdletters en punten
- Namen van mensen, plaatsen, landen, talen en inwoners krijgen een hoofdletter, dagen en maanden niet.
- Goed is: Vandaag rijdt meneer Van den Berg de bus naar het kamp.
17. Apostrof
- Eindigt de naam op een medeklinker? Dan alleen een s, zonder apostrof.
- Je schrijft Mohammeds.
18. Voorvoegsels
- ont + dooien = ontdooien
- ont- is een voorvoegsel: een stukje dat vóór een woord komt. Dat schrijf je altijd hetzelfde.
- Je schrijft ontdooien.
19. Zinsbouw
- Een bijzin kan niet los een zin zijn. De persoonsvorm staat er achteraan of bijna achteraan, en hij begint vaak met een voegwoord.
- Bijzin: als hij morgen zijn folders heeft bezorgd. Hoofdzin: Bram koopt een ijsje.
20. Verlengen
- Aan het eind van een woord hoor je een /p/, ook als je een b schrijft. Dus: langer maken.
- Maak het woord langer: ebben. Nu hoor je een b.
- Je schrijft eb.
21. Tegenwoordige tijd
- Gebiedende wijs: iemand krijgt een opdracht. Dan schrijf je de ik-vorm: geef.
22. Onthoudwoorden
- Dit woord komt uit een andere taal en houdt een eigen schrijfwijze. Frans: je hoort ljeu, je schrijft lieu.
- Je schrijft milieu.
23. Tussenklank
- Je hoort op die plek een /s/. Dan schrijf je ook een s.
- Je schrijft verjaardagstaart.
24. Bijvoeglijk naamwoord
- Na iets, niets of wat krijgt het woord een -s.
- Je schrijft moeilijks.
25. Hoofdletters en punten
- Een zin begint met een hoofdletter en eindigt met een punt.
- Goed is: De Romeinen legden lange wegen aan. Over die wegen reden karren vol graan.
26. Samenstellingen
- stof + filter = stoffilter
- Dit woord is gemaakt van twee woorden. Je schrijft ze aan elkaar, en elk woord blijft zoals het is.
- Het eerste woord eindigt op dezelfde letter als het tweede begint. Daarom staat die letter er twee keer.
- Je schrijft stoffilter.
27. Voltooid deelwoord
- Voltooid deelwoord: de zin heeft een vorm van hebben, zijn of worden, en dit woord staat aan het eind van het gezegde.
- Maak het langer: de veranderde ... Je hoort een d.
- Een woord met be-, ge-, her-, ont- of ver- krijgt geen extra ge-.
- Het goede woord is veranderd.
28. De komma
- Staan er twee persoonsvormen naast elkaar, dan staat er een komma tussen.
- Goed is: Zolang de verf nat is, mag je de deur niet aanraken.
29. Achtervoegsels
- Je hoort /ies/, maar je schrijft isch. Maak het langer: logisch → logische.
- Je schrijft allergisch.
30. Verleden tijd
- Tijd: het gebeurde al eerder, dus verleden tijd.
- Onderwerp: de geleerden (meervoud).
- Klankvast: de klank verandert niet, dus je gebruikt 't kofschip-x.
- Hele werkwoord zonder -en: gelov, laatste letter v. Die staat niet in 't kofschip-x, dus de(n).
- Ik-vorm geloof + den = geloofden.