Staat het woord voor een zelfstandig naamwoord, dan krijgt het meestal een : de grote boom, een mooie jas, het rode huis.
Bij een het-woord met een, geen of niets ervoor komt er : een groot huis, geen klein kind, koud water. Staat het woord achter het zelfstandig naamwoord, dan ook niet: de boom is groot.
Met de -e gelden de gewone regels voor klankgroepen: groot wordt grote, dik wordt dikke, wit wordt witte. Een f of s kan v of z worden: lief wordt lieve, vies wordt vieze.
Een bijvoeglijk naamwoord zegt waarvan iets gemaakt is. Dat eindigt op -en, en daar komt nooit een -e achter: goud wordt gouden, hout wordt houten, glas wordt glazen, wol wordt wollen.