Hoor je een toonloze e tussen de delen, dan schrijf je of . De hoofdregel: heeft het eerste deel een meervoud op -en, en niet ook op -es, dan schrijf je -en-. pannenkoek (pannen), spinnenweb (spinnen), paardenbloem (paarden). Dat geldt ook als er maar één pan of één spin bedoeld is.
Anders schrijf je -e-: aspergesoep, want het meervoud is asperges. Heeft het woord een meervoud op -en én op -es, dan ook: groentesoep.
Eindigt het eerste deel zelf al op -en, dan blijft dat gewoon staan: keukentafel, rekenmachine.
Er zijn uitzonderingen. Zo krijgen -e-: zonnebril, zonnestraal, maneschijn. Die woorden onthoud je.
Bij de let je op wat je hoort. Hoor je een /s/, dan schrijf je hem: stadsgids, dorpskern, meningsverschil. Hoor je er geen, dan niet: ademnood. Eindigt het eerste deel al op een s, dan blijft die staan: fietsslot. Begint het tweede deel met een s, dan hoor je de tussen-s niet apart, maar staat hij er vaak wel: stationsstraat.