Bij let je op de klank. Een korte klank houd je kort met een dubbele medeklinker: bak wordt bakken, bal wordt ballen. Een lange klank schrijf je met één letter als de klankgroep ermee eindigt: boot wordt boten, boom wordt bomen. Soms wordt een korte klank lang: dag wordt dagen, schip wordt schepen.
Een f of s aan het eind wordt in het meervoud vaak v of z: brief wordt brieven, huis wordt huizen. Dat is niet altijd zo: kans wordt kansen.
krijgen vooral woorden die eindigen op een stomme e, -el, -em, -en, -er of -je: tafels, bakkers, jongens, meisjes, garages.
Eindigt een woord op , dan komt er een apostrof voor de s, zodat de klank goed blijft: oma's, taxi's, foto's, paraplu's, baby's. Bij é gebeurt dat niet: cafés. Woorden op ee of een beklemtoonde ie krijgen -ën: zeeën, knieën.