Begin altijd met de . Gebruik de tijdproef: zet de zin in een andere tijd. Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm. Daarna zoek je de andere zinsdelen met vaste vragen.
Mijn broer heeft gisteren in de tuin een hut gebouwd.
| persoonsvorm |
Wat verandert in een andere tijd? |
heeft |
| werkwoordelijk gezegde |
Welke werkwoorden staan in de zin? |
heeft gebouwd |
| onderwerp |
Wie of wat + gezegde? |
mijn broer |
| lijdend voorwerp |
Wie of wat + gezegde + onderwerp? |
een hut |
| bepaling van tijd |
Wanneer? |
gisteren |
| bepaling van plaats |
Waar? |
in de tuin |
Het vraagt: aan of voor wie? In "Daan geeft zijn zus een boek" is dat zijn zus: aan zijn zus.