Vraag eerst: is dit de of het ? De tijdproef helpt. Zet de zin in een andere tijd. Verandert het woord, dan is het de persoonsvorm. Blijft het staan, dan is het vaak het voltooid deelwoord.
Twee vormen die hetzelfde klinken
| Het gebeurt elke dag. |
persoonsvorm |
ik-vorm + t |
| Het is gisteren gebeurd. |
voltooid deelwoord |
eindigt op d |
| Fenna verhuist naar Utrecht. |
persoonsvorm |
ik-vorm + t |
| Fenna is naar Utrecht verhuisd. |
voltooid deelwoord |
eindigt op d |
Hetzelfde geldt voor vertelt en verteld, bestelt en besteld, betaalt en betaald. Klinken ze hetzelfde en begint het woord met be-, ge-, ver-, her- of ont-? Kijk dan altijd even naar de zin.
Bij sommige werkwoorden is er geen verschil: ontmoet en gebruikt zijn zowel persoonsvorm als voltooid deelwoord, want de laatste letter is steeds een t.