Proeftoets taal
Naam:
Datum:
Je hebt 45 minuten voor 30 opgaven. Een woordenboek mag niet. Schrijf je antwoord op de lijn; bij meerkeuze zet je een rondje om de goede letter. Weet je een opgave niet? Ga door en kom er later op terug.
-
1.
Welk woord hoort op de puntjes?
Een goede taart bestaat uit meerdere biscuit en room.A laagen
B laggen
C lagen
-
2.
Vul de juiste vorm in: vt (toen) – gooien
Op de sportdag van vorige week Noah de bal het verst van iedereen.Antwoord:
-
3.
In welke zin staan de leestekens goed?
A "Wat een gave tekening"! riep Mila.
B "Wat een gave tekening!" riep Mila.
C "wat een gave tekening!" riep Mila.
D "Wat een gave tekening!" Riep Mila.
-
4.
Welk woord hoort op de puntjes?
Het vriendelijke uit de film repareert elke dag fietsen.A omaatje
B oma'tje
C omatje
-
5.
Welk woord hoort op de puntjes?
De act van de clown was zo dat de hele zaal moest lachen.A komies
B komish
C komisch
D komis
-
6.
In welke zin staan de hoofdletters goed?
A De grieken varen al duizenden jaren over de Middellandse Zee.
B De grieken varen al duizenden jaren over de middellandse zee.
C De Grieken varen al duizenden jaren over de middellandse zee.
D De Grieken varen al duizenden jaren over de Middellandse Zee.
-
7.
Maak een verkleinwoord van vogel.
Antwoord:
-
8.
In deze zin is saxofon fout geschreven. Schrijf het goed op.
De solo op de saxofon kreeg een groot applaus.Antwoord:
-
9.
Wat is de persoonsvorm in deze zin?
De raket vertrekt morgenochtend vanaf het eiland.A morgenochtend
B vertrekt
C vanaf het eiland
D De raket
-
10.
In deze zin is hantbal fout geschreven. Schrijf het goed op.
Het Nederlandse team won een medaille bij het hantbal.Antwoord:
-
11.
Vul de juiste vorm in: vt (toen) – glijden
Afgelopen winter Lucas en Finn op een oud dienblad de heuvel af.Antwoord:
-
12.
Welke vorm hoort op de puntjes?
Mijn broers vast weer de zeskamp in onze wijk.A winnent
B win
C winnen
D wint
-
13.
Welk woord hoort op de puntjes?
Met die lage prijs is de aanbieding voor gamers extra .A aantrekkeluk
B aantrekkelijk
C aantrekkelik
D aantrekkelek
-
14.
Vul de juiste vorm in: zwemmen
Dit najaar de zalm de rivier op om eitjes te leggen.Antwoord:
-
15.
Waar staan de leestekens en hoofdletters goed?
A Het regent nu al een uur. zullen we maar binnen gaan spelen?
B Het regent nu al een uur. Zullen we maar binnen gaan spelen.
C Het regent nu al een uur. Zullen we maar binnen gaan spelen?
D Het regent nu al een uur? Zullen we maar binnen gaan spelen.
-
16.
Vul de juiste vorm in: vt (toen) – rijden
Vorige zomer mijn tante in drie weken naar Spanje en terug.Antwoord:
-
17.
Welk woord hoort op de puntjes?
Oma zat de hele middag in een te lezen.A stranstoel
B strandstoel
C strand stoel
-
18.
Welk woord hoort op de puntjes?
In het restaurant van opa staat altijd hutspot op het menu.A 'sdonderdags
B 's donderdags
C sdonderdags
D 's Donderdags
-
19.
Welk woord hoort op de puntjes?
Het koor oefende weken op een met drie stemmen.A lied
B liet
-
20.
Wat voor woord is oude in deze zin?
Wij wandelen langs de brede rivier naar een oude molen.A zelfstandig naamwoord
B lidwoord
C bijvoeglijk naamwoord
D werkwoord
-
21.
Welke vorm hoort op de puntjes?
Afgelopen winter Lucas en Finn op een oud dienblad de heuvel af.A gleeden
B gleeddten
C gleed
D gleden
-
22.
Vul de goede vorm in van leer.
De drummer droeg een zwarte jas tijdens het optreden.Antwoord:
-
23.
In welke zin staan de komma's goed?
A Toen Noor het vuur aanstak kwamen de andere kampeerders erbij zitten.
B Toen Noor, het vuur aanstak kwamen de andere kampeerders erbij zitten.
C Toen Noor het vuur, aanstak kwamen de andere kampeerders erbij zitten.
D Toen Noor het vuur aanstak, kwamen de andere kampeerders erbij zitten.
-
24.
Welke vorm hoort op de puntjes?
Ik nu vijf euro voor die stapel stripboeken op de rommelmarkt.A bied
B biet
C biedt
-
25.
Welke vorm hoort op de puntjes?
Voor hun wegen de Romeinen vroeger lagen zand, grind en stenen.A gebruiken
B gebruikden
C gebruikte
D gebruikten
-
26.
Vul de juiste vorm in: vertrekken
De karavaan morgen bij zonsopgang door de woestijn naar de kust.Antwoord:
-
27.
Uit welke twee stukken bestaat herhaling?
A her + haling
B he + rhaling
C h + erhaling
D herh + aling
-
28.
Vul de juiste vorm in: tt (nu) – bestellen
Nina, voor ons allebei een tosti en een glas appelsap.Antwoord:
-
29.
In deze zin is flouw fout geschreven. Schrijf het goed op.
Daan maakte een flouw grapje en iedereen zuchtte.Antwoord:
-
30.
In deze zin is getalen fout geschreven. Schrijf het goed op.
Bij dit spel tel je alle getalen op je kaarten bij elkaar op.Antwoord:
Antwoordblad
groep 7 · toets 202610Score: van de 30 goed
De stof van groep 7 die ongeveer tot en met november aan bod is geweest.
| Nr. | Antwoord | Onderwerp | Niveau |
|---|---|---|---|
| 1 | C lagen | Meervoud | basis |
| 2 | gooide | Verleden tijd | basis |
| 3 | B "Wat een gave tekening!" riep Mila. | Directe rede | uitdagend |
| 4 | A omaatje | Verkleinwoorden | gemiddeld |
| 5 | C komisch | Achtervoegsels | gemiddeld |
| 6 | D De Grieken varen al duizenden jaren over de Middellandse Zee. | Hoofdletters en punten | basis |
| 7 | vogeltje | Verkleinwoorden | basis |
| 8 | saxofoon | Onthoudwoorden | gemiddeld |
| 9 | B vertrekt | Zinsdelen | basis |
| 10 | handbal | Gelijkvormigheid | basis |
| 11 | gleden | Verleden tijd | gemiddeld |
| 12 | C winnen | Tegenwoordige tijd | basis |
| 13 | B aantrekkelijk | Achtervoegsels | uitdagend |
| 14 | zwemt | Tegenwoordige tijd | uitdagend |
| 15 | C Het regent nu al een uur. Zullen we maar binnen gaan spelen? | Hoofdletters en punten | gemiddeld |
| 16 | reed | Verleden tijd | basis |
| 17 | B strandstoel | Samenstellingen | gemiddeld |
| 18 | B 's donderdags | Apostrof | gemiddeld |
| 19 | A lied | Verlengen | gemiddeld |
| 20 | C bijvoeglijk naamwoord | Woordsoorten | gemiddeld |
| 21 | D gleden | Verleden tijd | gemiddeld |
| 22 | leren | Bijvoeglijk naamwoord | gemiddeld |
| 23 | D Toen Noor het vuur aanstak, kwamen de andere kampeerders erbij zitten. | De komma | gemiddeld |
| 24 | A bied | Tegenwoordige tijd | gemiddeld |
| 25 | D gebruikten | Verleden tijd | uitdagend |
| 26 | vertrekt | Tegenwoordige tijd | uitdagend |
| 27 | A her + haling | Voorvoegsels | basis |
| 28 | bestel | Tegenwoordige tijd | gemiddeld |
| 29 | flauw | Onthoudwoorden | uitdagend |
| 30 | getallen | Klankgroepen | gemiddeld |
Uitwerkingen
1. Meervoud
- De klank in laag is lang en staat straks aan het eind van een klankgroep: stukje weg, één klinker.
- Eén laag, twee lagen.
2. Verleden tijd
- Tijd: het gebeurde al eerder, dus verleden tijd.
- Onderwerp: Noah (enkelvoud).
- Klankvast: de klank verandert niet, dus je gebruikt 't kofschip-x.
- Hele werkwoord zonder -en: gooi, laatste letter i. Die staat niet in 't kofschip-x, dus de(n).
- Ik-vorm gooi + de = gooide.
3. Directe rede
- Wat iemand letterlijk zegt, staat tussen aanhalingstekens. Vooraf gaat een dubbele punt, en het begint met een hoofdletter.
- Goed is: "Wat een gave tekening!" riep Mila.
4. Verkleinwoorden
- Grondwoord: oma.
- Het grondwoord eindigt op een klinker. Die klinker blijft lang, dus je schrijft hem dubbel en dan -tje.
- Je schrijft omaatje.
5. Achtervoegsels
- Je hoort /ies/, maar je schrijft isch. Maak het langer: logisch → logische.
- Je schrijft komisch.
6. Hoofdletters en punten
- Namen van mensen, plaatsen, landen, talen en inwoners krijgen een hoofdletter, dagen en maanden niet.
- Goed is: De Grieken varen al duizenden jaren over de Middellandse Zee.
7. Verkleinwoorden
- Grondwoord: vogel.
- Het grondwoord eindigt op l, n of r na een lange klank of na een stomme e. Dan zet je er -tje achter.
- Je schrijft vogeltje.
8. Onthoudwoorden
- Dit woord moet je onthouden, er is geen regel voor. Je hoort ks, je schrijft x.
- Je schrijft saxofoon.
9. Zinsdelen
- Zet de zin in een andere tijd. Het woord dat dan verandert, is de persoonsvorm.
- Dat is vertrekt.
10. Gelijkvormigheid
- hand + bal = handbal
- In dit woord zit hand. Dat stuk schrijf je altijd hetzelfde, ook als je het hier anders hoort.
- Je schrijft handbal.
11. Verleden tijd
- Tijd: het gebeurde al eerder, dus verleden tijd.
- Onderwerp: Lucas en Finn (meervoud).
- Klankveranderend: de klank verandert (glijden – gleed), dus 't kofschip-x is niet nodig.
- Enkelvoud: geen uitgang, geen t. Meervoud: -en erachter.
- Hier: gleden.
12. Tegenwoordige tijd
- Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: mijn broers (meervoud).
- Meervoud: dan schrijf je het hele werkwoord: winnen.
13. Achtervoegsels
- Het achtervoegsel klinkt als /luk/, maar je schrijft lijk.
- Je schrijft aantrekkelijk.
14. Tegenwoordige tijd
- Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: de zalm (enkelvoud).
- Ik-vorm + t: ik-vorm zwem + t = zwemt.
15. Hoofdletters en punten
- Achter een vraag staat een vraagteken. Achter een uitroep of een bevel staat een uitroepteken.
- Goed is: Het regent nu al een uur. Zullen we maar binnen gaan spelen?
16. Verleden tijd
- Tijd: het gebeurde al eerder, dus verleden tijd.
- Onderwerp: mijn tante (enkelvoud).
- Klankveranderend: de klank verandert (rijden – reed), dus 't kofschip-x is niet nodig.
- Enkelvoud: geen uitgang, geen t. Meervoud: -en erachter.
- Hier: reed.
17. Samenstellingen
- strand + stoel = strandstoel
- Dit woord is gemaakt van twee woorden. Je schrijft ze aan elkaar, en elk woord blijft zoals het is.
- Je schrijft strandstoel.
18. Apostrof
- 's is een oude vorm van "des". De apostrof komt vóór de s, daarna een spatie, en het woord erachter krijgt een kleine letter.
- Je schrijft 's donderdags.
19. Verlengen
- Aan het eind van een woord hoor je altijd een /t/. Dus: langer maken.
- Maak het woord langer: liederen. Nu hoor je of het een d of een t is: een d.
- Je schrijft lied.
20. Woordsoorten
- Een bijvoeglijk naamwoord zegt hoe iets is. Het past tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord.
- oude is een bijvoeglijk naamwoord.
21. Verleden tijd
- Tijd: het gebeurde al eerder, dus verleden tijd.
- Onderwerp: Lucas en Finn (meervoud).
- Klankveranderend: de klank verandert (glijden – gleed), dus 't kofschip-x is niet nodig.
- Enkelvoud: geen uitgang, geen t. Meervoud: -en erachter.
- Hier: gleden.
22. Bijvoeglijk naamwoord
- Het woord zegt waar iets van gemaakt is. Zulke woorden krijgen -en, en niet -e.
- Je schrijft leren.
23. De komma
- Staan er twee persoonsvormen naast elkaar, dan staat er een komma tussen.
- Goed is: Toen Noor het vuur aanstak, kwamen de andere kampeerders erbij zitten.
24. Tegenwoordige tijd
- Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: ik.
- Ik-vorm: bij ik schrijf je alleen de ik-vorm, zonder t: bied.
- Hoor je een /t/ aan het eind? Maak het langer: bieden. Je schrijft een d.
25. Verleden tijd
- Tijd: het gebeurde al eerder, dus verleden tijd.
- Onderwerp: de Romeinen (meervoud).
- Klankvast: de klank verandert niet, dus je gebruikt 't kofschip-x.
- Hele werkwoord zonder -en: gebruik, laatste letter k. Die staat in 't kofschip-x, dus te(n).
- Ik-vorm gebruik + ten = gebruikten.
26. Tegenwoordige tijd
- Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: de karavaan (enkelvoud).
- Ik-vorm + t: ik-vorm vertrek + t = vertrekt.
27. Voorvoegsels
- her + haling = herhaling
- her- is een voorvoegsel: een stukje dat vóór een woord komt. Dat schrijf je altijd hetzelfde.
- Je schrijft herhaling.
28. Tegenwoordige tijd
- Gebiedende wijs: iemand krijgt een opdracht. Dan schrijf je de ik-vorm: bestel.
29. Onthoudwoorden
- Je hoort hier geen verschil. Dit woord moet je onthouden. Au, net als in blauw.
- Je schrijft flauw.
30. Klankgroepen
- Klap het woord in klankgroepen: ge-tal-len.
- De klank is kort: dan schrijf je de medeklinker dubbel.
- Je schrijft getallen.