← Terug Download als PDF
Toch Weer Taal groep 7 · toets 202610

Proeftoets taal

Naam:

Datum:

Je hebt 45 minuten voor 30 opgaven. Een woordenboek mag niet. Schrijf je antwoord op de lijn; bij meerkeuze zet je een rondje om de goede letter. Weet je een opgave niet? Ga door en kom er later op terug.

  1. 1.
    Welk woord hoort op de puntjes?
    Een goede taart bestaat uit meerdere biscuit en room.

    A laagen

    B laggen

    C lagen

  2. 2.
    Vul de juiste vorm in: vt (toen) – gooien
    Op de sportdag van vorige week Noah de bal het verst van iedereen.

    Antwoord:

  3. 3.
    In welke zin staan de leestekens goed?

    A "Wat een gave tekening"! riep Mila.

    B "Wat een gave tekening!" riep Mila.

    C "wat een gave tekening!" riep Mila.

    D "Wat een gave tekening!" Riep Mila.

  4. 4.
    Welk woord hoort op de puntjes?
    Het vriendelijke uit de film repareert elke dag fietsen.

    A omaatje

    B oma'tje

    C omatje

  5. 5.
    Welk woord hoort op de puntjes?
    De act van de clown was zo dat de hele zaal moest lachen.

    A komies

    B komish

    C komisch

    D komis

  6. 6.
    In welke zin staan de hoofdletters goed?

    A De grieken varen al duizenden jaren over de Middellandse Zee.

    B De grieken varen al duizenden jaren over de middellandse zee.

    C De Grieken varen al duizenden jaren over de middellandse zee.

    D De Grieken varen al duizenden jaren over de Middellandse Zee.

  7. 7.
    Maak een verkleinwoord van vogel.

    Antwoord:

  8. 8.
    In deze zin is saxofon fout geschreven. Schrijf het goed op.
    De solo op de saxofon kreeg een groot applaus.

    Antwoord:

  9. 9.
    Wat is de persoonsvorm in deze zin?
    De raket vertrekt morgenochtend vanaf het eiland.

    A morgenochtend

    B vertrekt

    C vanaf het eiland

    D De raket

  10. 10.
    In deze zin is hantbal fout geschreven. Schrijf het goed op.
    Het Nederlandse team won een medaille bij het hantbal.

    Antwoord:

  11. 11.
    Vul de juiste vorm in: vt (toen) – glijden
    Afgelopen winter Lucas en Finn op een oud dienblad de heuvel af.

    Antwoord:

  12. 12.
    Welke vorm hoort op de puntjes?
    Mijn broers vast weer de zeskamp in onze wijk.

    A winnent

    B win

    C winnen

    D wint

  13. 13.
    Welk woord hoort op de puntjes?
    Met die lage prijs is de aanbieding voor gamers extra .

    A aantrekkeluk

    B aantrekkelijk

    C aantrekkelik

    D aantrekkelek

  14. 14.
    Vul de juiste vorm in: zwemmen
    Dit najaar de zalm de rivier op om eitjes te leggen.

    Antwoord:

  15. 15.
    Waar staan de leestekens en hoofdletters goed?

    A Het regent nu al een uur. zullen we maar binnen gaan spelen?

    B Het regent nu al een uur. Zullen we maar binnen gaan spelen.

    C Het regent nu al een uur. Zullen we maar binnen gaan spelen?

    D Het regent nu al een uur? Zullen we maar binnen gaan spelen.

  16. 16.
    Vul de juiste vorm in: vt (toen) – rijden
    Vorige zomer mijn tante in drie weken naar Spanje en terug.

    Antwoord:

  17. 17.
    Welk woord hoort op de puntjes?
    Oma zat de hele middag in een te lezen.

    A stranstoel

    B strandstoel

    C strand stoel

  18. 18.
    Welk woord hoort op de puntjes?
    In het restaurant van opa staat altijd hutspot op het menu.

    A 'sdonderdags

    B 's donderdags

    C sdonderdags

    D 's Donderdags

  19. 19.
    Welk woord hoort op de puntjes?
    Het koor oefende weken op een met drie stemmen.

    A lied

    B liet

  20. 20.
    Wat voor woord is oude in deze zin?
    Wij wandelen langs de brede rivier naar een oude molen.

    A zelfstandig naamwoord

    B lidwoord

    C bijvoeglijk naamwoord

    D werkwoord

  21. 21.
    Welke vorm hoort op de puntjes?
    Afgelopen winter Lucas en Finn op een oud dienblad de heuvel af.

    A gleeden

    B gleeddten

    C gleed

    D gleden

  22. 22.
    Vul de goede vorm in van leer.
    De drummer droeg een zwarte jas tijdens het optreden.

    Antwoord:

  23. 23.
    In welke zin staan de komma's goed?

    A Toen Noor het vuur aanstak kwamen de andere kampeerders erbij zitten.

    B Toen Noor, het vuur aanstak kwamen de andere kampeerders erbij zitten.

    C Toen Noor het vuur, aanstak kwamen de andere kampeerders erbij zitten.

    D Toen Noor het vuur aanstak, kwamen de andere kampeerders erbij zitten.

  24. 24.
    Welke vorm hoort op de puntjes?
    Ik nu vijf euro voor die stapel stripboeken op de rommelmarkt.

    A bied

    B biet

    C biedt

  25. 25.
    Welke vorm hoort op de puntjes?
    Voor hun wegen de Romeinen vroeger lagen zand, grind en stenen.

    A gebruiken

    B gebruikden

    C gebruikte

    D gebruikten

  26. 26.
    Vul de juiste vorm in: vertrekken
    De karavaan morgen bij zonsopgang door de woestijn naar de kust.

    Antwoord:

  27. 27.
    Uit welke twee stukken bestaat herhaling?

    A her + haling

    B he + rhaling

    C h + erhaling

    D herh + aling

  28. 28.
    Vul de juiste vorm in: tt (nu) – bestellen
    Nina, voor ons allebei een tosti en een glas appelsap.

    Antwoord:

  29. 29.
    In deze zin is flouw fout geschreven. Schrijf het goed op.
    Daan maakte een flouw grapje en iedereen zuchtte.

    Antwoord:

  30. 30.
    In deze zin is getalen fout geschreven. Schrijf het goed op.
    Bij dit spel tel je alle getalen op je kaarten bij elkaar op.

    Antwoord:

Antwoordblad

groep 7 · toets 202610

Score: van de 30 goed

De stof van groep 7 die ongeveer tot en met november aan bod is geweest.

Nr. Antwoord Onderwerp Niveau
1 C lagen Meervoud basis
2 gooide Verleden tijd basis
3 B "Wat een gave tekening!" riep Mila. Directe rede uitdagend
4 A omaatje Verkleinwoorden gemiddeld
5 C komisch Achtervoegsels gemiddeld
6 D De Grieken varen al duizenden jaren over de Middellandse Zee. Hoofdletters en punten basis
7 vogeltje Verkleinwoorden basis
8 saxofoon Onthoudwoorden gemiddeld
9 B vertrekt Zinsdelen basis
10 handbal Gelijkvormigheid basis
11 gleden Verleden tijd gemiddeld
12 C winnen Tegenwoordige tijd basis
13 B aantrekkelijk Achtervoegsels uitdagend
14 zwemt Tegenwoordige tijd uitdagend
15 C Het regent nu al een uur. Zullen we maar binnen gaan spelen? Hoofdletters en punten gemiddeld
16 reed Verleden tijd basis
17 B strandstoel Samenstellingen gemiddeld
18 B 's donderdags Apostrof gemiddeld
19 A lied Verlengen gemiddeld
20 C bijvoeglijk naamwoord Woordsoorten gemiddeld
21 D gleden Verleden tijd gemiddeld
22 leren Bijvoeglijk naamwoord gemiddeld
23 D Toen Noor het vuur aanstak, kwamen de andere kampeerders erbij zitten. De komma gemiddeld
24 A bied Tegenwoordige tijd gemiddeld
25 D gebruikten Verleden tijd uitdagend
26 vertrekt Tegenwoordige tijd uitdagend
27 A her + haling Voorvoegsels basis
28 bestel Tegenwoordige tijd gemiddeld
29 flauw Onthoudwoorden uitdagend
30 getallen Klankgroepen gemiddeld

Uitwerkingen

1. Meervoud

  1. De klank in laag is lang en staat straks aan het eind van een klankgroep: stukje weg, één klinker.
  2. Eén laag, twee lagen.

2. Verleden tijd

  1. Tijd: het gebeurde al eerder, dus verleden tijd.
  2. Onderwerp: Noah (enkelvoud).
  3. Klankvast: de klank verandert niet, dus je gebruikt 't kofschip-x.
  4. Hele werkwoord zonder -en: gooi, laatste letter i. Die staat niet in 't kofschip-x, dus de(n).
  5. Ik-vorm gooi + de = gooide.

3. Directe rede

  1. Wat iemand letterlijk zegt, staat tussen aanhalingstekens. Vooraf gaat een dubbele punt, en het begint met een hoofdletter.
  2. Goed is: "Wat een gave tekening!" riep Mila.

4. Verkleinwoorden

  1. Grondwoord: oma.
  2. Het grondwoord eindigt op een klinker. Die klinker blijft lang, dus je schrijft hem dubbel en dan -tje.
  3. Je schrijft omaatje.

5. Achtervoegsels

  1. Je hoort /ies/, maar je schrijft isch. Maak het langer: logisch → logische.
  2. Je schrijft komisch.

6. Hoofdletters en punten

  1. Namen van mensen, plaatsen, landen, talen en inwoners krijgen een hoofdletter, dagen en maanden niet.
  2. Goed is: De Grieken varen al duizenden jaren over de Middellandse Zee.

7. Verkleinwoorden

  1. Grondwoord: vogel.
  2. Het grondwoord eindigt op l, n of r na een lange klank of na een stomme e. Dan zet je er -tje achter.
  3. Je schrijft vogeltje.

8. Onthoudwoorden

  1. Dit woord moet je onthouden, er is geen regel voor. Je hoort ks, je schrijft x.
  2. Je schrijft saxofoon.

9. Zinsdelen

  1. Zet de zin in een andere tijd. Het woord dat dan verandert, is de persoonsvorm.
  2. Dat is vertrekt.

10. Gelijkvormigheid

  1. In dit woord zit hand. Dat stuk schrijf je altijd hetzelfde, ook als je het hier anders hoort.
  2. Je schrijft handbal.

11. Verleden tijd

  1. Tijd: het gebeurde al eerder, dus verleden tijd.
  2. Onderwerp: Lucas en Finn (meervoud).
  3. Klankveranderend: de klank verandert (glijden – gleed), dus 't kofschip-x is niet nodig.
  4. Enkelvoud: geen uitgang, geen t. Meervoud: -en erachter.
  5. Hier: gleden.

12. Tegenwoordige tijd

  1. Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
  2. Onderwerp: mijn broers (meervoud).
  3. Meervoud: dan schrijf je het hele werkwoord: winnen.

13. Achtervoegsels

  1. Het achtervoegsel klinkt als /luk/, maar je schrijft lijk.
  2. Je schrijft aantrekkelijk.

14. Tegenwoordige tijd

  1. Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
  2. Onderwerp: de zalm (enkelvoud).
  3. Ik-vorm + t: ik-vorm zwem + t = zwemt.

15. Hoofdletters en punten

  1. Achter een vraag staat een vraagteken. Achter een uitroep of een bevel staat een uitroepteken.
  2. Goed is: Het regent nu al een uur. Zullen we maar binnen gaan spelen?

16. Verleden tijd

  1. Tijd: het gebeurde al eerder, dus verleden tijd.
  2. Onderwerp: mijn tante (enkelvoud).
  3. Klankveranderend: de klank verandert (rijden – reed), dus 't kofschip-x is niet nodig.
  4. Enkelvoud: geen uitgang, geen t. Meervoud: -en erachter.
  5. Hier: reed.

17. Samenstellingen

  1. Dit woord is gemaakt van twee woorden. Je schrijft ze aan elkaar, en elk woord blijft zoals het is.
  2. Je schrijft strandstoel.

18. Apostrof

  1. 's is een oude vorm van "des". De apostrof komt vóór de s, daarna een spatie, en het woord erachter krijgt een kleine letter.
  2. Je schrijft 's donderdags.

19. Verlengen

  1. Aan het eind van een woord hoor je altijd een /t/. Dus: langer maken.
  2. Maak het woord langer: liederen. Nu hoor je of het een d of een t is: een d.
  3. Je schrijft lied.

20. Woordsoorten

  1. Een bijvoeglijk naamwoord zegt hoe iets is. Het past tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord.
  2. oude is een bijvoeglijk naamwoord.

21. Verleden tijd

  1. Tijd: het gebeurde al eerder, dus verleden tijd.
  2. Onderwerp: Lucas en Finn (meervoud).
  3. Klankveranderend: de klank verandert (glijden – gleed), dus 't kofschip-x is niet nodig.
  4. Enkelvoud: geen uitgang, geen t. Meervoud: -en erachter.
  5. Hier: gleden.

22. Bijvoeglijk naamwoord

  1. Het woord zegt waar iets van gemaakt is. Zulke woorden krijgen -en, en niet -e.
  2. Je schrijft leren.

23. De komma

  1. Staan er twee persoonsvormen naast elkaar, dan staat er een komma tussen.
  2. Goed is: Toen Noor het vuur aanstak, kwamen de andere kampeerders erbij zitten.

24. Tegenwoordige tijd

  1. Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
  2. Onderwerp: ik.
  3. Ik-vorm: bij ik schrijf je alleen de ik-vorm, zonder t: bied.
  4. Hoor je een /t/ aan het eind? Maak het langer: bieden. Je schrijft een d.

25. Verleden tijd

  1. Tijd: het gebeurde al eerder, dus verleden tijd.
  2. Onderwerp: de Romeinen (meervoud).
  3. Klankvast: de klank verandert niet, dus je gebruikt 't kofschip-x.
  4. Hele werkwoord zonder -en: gebruik, laatste letter k. Die staat in 't kofschip-x, dus te(n).
  5. Ik-vorm gebruik + ten = gebruikten.

26. Tegenwoordige tijd

  1. Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
  2. Onderwerp: de karavaan (enkelvoud).
  3. Ik-vorm + t: ik-vorm vertrek + t = vertrekt.

27. Voorvoegsels

  1. her- is een voorvoegsel: een stukje dat vóór een woord komt. Dat schrijf je altijd hetzelfde.
  2. Je schrijft herhaling.

28. Tegenwoordige tijd

  1. Gebiedende wijs: iemand krijgt een opdracht. Dan schrijf je de ik-vorm: bestel.

29. Onthoudwoorden

  1. Je hoort hier geen verschil. Dit woord moet je onthouden. Au, net als in blauw.
  2. Je schrijft flauw.

30. Klankgroepen

  1. Klap het woord in klankgroepen: ge-tal-len.
  2. De klank is kort: dan schrijf je de medeklinker dubbel.
  3. Je schrijft getallen.