Proeftoets taal
Naam:
Datum:
Je hebt 45 minuten voor 30 opgaven. Een woordenboek mag niet. Schrijf je antwoord op de lijn; bij meerkeuze zet je een rondje om de goede letter. Weet je een opgave niet? Ga door en kom er later op terug.
-
1.
In deze zin is wid fout geschreven. Schrijf het goed op.
Na de verflaag was de muur van mijn kamer weer helemaal wid.Antwoord:
-
2.
Maak een verkleinwoord van kom.
Antwoord:
-
3.
Welk woord hoort op de puntjes?
Mijn oom heeft een van meer dan vijfhonderd postzegels.A verzamelink
B verzameling
-
4.
In deze zin is wid fout geschreven. Schrijf het goed op.
Na de verflaag was de muur van mijn kamer weer helemaal wid.Antwoord:
-
5.
Welke vorm hoort op de puntjes?
Wij dit jaar met de hele klas op kamp naar Texel.A gaant
B gaan
C ga
D gaat
-
6.
Vul de juiste vorm in: tt (nu) – branden
De kaarsen op de tafel en de taart staat klaar.Antwoord:
-
7.
Waar staan de leestekens en hoofdletters goed?
A Stop, je vergeet je helm op te zetten
B stop, je vergeet je helm op te zetten!
C Stop, je vergeet je helm op te zetten!
-
8.
In welke zin staan de hoofdletters goed?
A In januari vloog isa met haar tante naar marokko.
B In januari vloog isa met haar tante naar Marokko.
C In januari vloog Isa met haar tante naar Marokko.
D In Januari vloog Isa met haar tante naar Marokko.
-
9.
Maak een verkleinwoord van bodem.
Antwoord:
-
10.
Vul de juiste vorm in: tt (nu) – betalen
De klanten tegenwoordig bij de kassa met hun telefoon.Antwoord:
-
11.
In deze zin is grecht fout geschreven. Schrijf het goed op.
Mohammed bestelde op vakantie een grecht dat hij niet kende.Antwoord:
-
12.
Vul de juiste vorm in: tt (nu) – leren
Ik vanavond de namen van alle planeten uit mijn hoofd.Antwoord:
-
13.
Waar staan de leestekens en hoofdletters goed?
A De kat zat hoog in de boom een buurman haalde haar met een ladder naar beneden.
B De kat zat hoog in de boom. Een buurman haalde haar met een ladder naar beneden.
C de kat zat hoog in de boom. Een buurman haalde haar met een ladder naar beneden
D De kat zat hoog in de boom een. Buurman haalde haar met een ladder naar beneden.
-
14.
Welk woord hoort op de puntjes?
Bij klimmen we vandaag in de touwen.A gymnastik
B gimnastiek
C gymnastiek
-
15.
Wat voor woord is zaal in deze zin?
De drummer speelt een solo en de zaal klapt mee.A lidwoord
B bijvoeglijk naamwoord
C zelfstandig naamwoord
D werkwoord
-
16.
Welke vorm hoort op de puntjes?
Ik eerst een beetje van de soep voordat ik er zout bij doe.A proefdt
B proeft
C proef
D proefd
-
17.
In deze zin is burren fout geschreven. Schrijf het goed op.
De burren gaven een feest tot diep in de nacht.Antwoord:
-
18.
In welke zin staan de hoofdletters goed?
A Zoë las op zondag een spannend boek van een Zweedse schrijver.
B zoë las op zondag een spannend boek van een zweedse schrijver.
C zoë las op zondag een spannend boek van een Zweedse schrijver.
D Zoë las op Zondag een spannend boek van een Zweedse schrijver.
-
19.
In deze zin is tiger fout geschreven. Schrijf het goed op.
De tiger sloop door het hoge gras naar zijn prooi.Antwoord:
-
20.
Vul de juiste vorm in: tt (nu) – fietsen
Wij vandaag langs de kust naar de vuurtoren.Antwoord:
-
21.
Wat is de persoonsvorm in deze zin?
De dokter controleert dinsdag mijn ogen in het ziekenhuis.A mijn ogen
B controleert
C in het ziekenhuis
D dinsdag
-
22.
In deze zin is brilen fout geschreven. Schrijf het goed op.
In dit museum liggen brilen van wel tweehonderd jaar oud.Antwoord:
-
23.
Uit welke twee stukken bestaat zeilboot?
A ze + ilboot
B zeilbo + ot
C zeil + boot
D zeilb + oot
-
24.
Welk woord hoort op de puntjes?
De drie bouwden samen een vlot op het kamp.A jongens
B jongen's
C jongenen
-
25.
Vul de juiste vorm in: tt (nu) – surfen
Ik het liefst als de golven bij het strand hoog zijn.Antwoord:
-
26.
Welke zin is goed geschreven?
A Ik praatd nu met mijn zus over de ruzie van vanmorgen.
B Ik praatt nu met mijn zus over de ruzie van vanmorgen.
C Ik praat nu met mijn zus over de ruzie van vanmorgen.
-
27.
Welke vorm hoort op de puntjes?
De tuinman deze herfst honderd tulpenbollen langs het pad.A plant
B plantt
C plantd
D planten
-
28.
Vul de juiste vorm in: tt (nu) – wonen
Mijn neven nu op een boerderij vlak bij de Duitse grens.Antwoord:
-
29.
Welk woord hoort op de puntjes?
Op de markt in december hingen kleine zilveren aan elke kraam.A bellen
B belen
-
30.
In deze zin is prachtug fout geschreven. Schrijf het goed op.
Vanaf de bergtop hadden we een prachtug uitzicht over het hele dal.Antwoord:
Antwoordblad
groep 6 · toets 202610Score: van de 30 goed
De stof van groep 6 die ongeveer tot en met november aan bod is geweest.
| Nr. | Antwoord | Onderwerp | Niveau |
|---|---|---|---|
| 1 | wit | Verlengen | basis |
| 2 | kommetje | Verkleinwoorden | gemiddeld |
| 3 | B verzameling | Achtervoegsels | gemiddeld |
| 4 | wit | Verlengen | basis |
| 5 | B gaan | Tegenwoordige tijd | basis |
| 6 | branden | Tegenwoordige tijd | gemiddeld |
| 7 | C Stop, je vergeet je helm op te zetten! | Hoofdletters en punten | gemiddeld |
| 8 | C In januari vloog Isa met haar tante naar Marokko. | Hoofdletters en punten | uitdagend |
| 9 | bodempje | Verkleinwoorden | uitdagend |
| 10 | betalen | Tegenwoordige tijd | uitdagend |
| 11 | gerecht | Voorvoegsels | uitdagend |
| 12 | leer | Tegenwoordige tijd | basis |
| 13 | B De kat zat hoog in de boom. Een buurman haalde haar met een ladder naar beneden. | Hoofdletters en punten | gemiddeld |
| 14 | C gymnastiek | Onthoudwoorden | gemiddeld |
| 15 | C zelfstandig naamwoord | Woordsoorten | gemiddeld |
| 16 | C proef | Tegenwoordige tijd | gemiddeld |
| 17 | buren | Klankgroepen | basis |
| 18 | A Zoë las op zondag een spannend boek van een Zweedse schrijver. | Hoofdletters en punten | gemiddeld |
| 19 | tijger | Onthoudwoorden | basis |
| 20 | fietsen | Tegenwoordige tijd | basis |
| 21 | B controleert | Zinsdelen | gemiddeld |
| 22 | brillen | Klankgroepen | gemiddeld |
| 23 | C zeil + boot | Samenstellingen | gemiddeld |
| 24 | A jongens | Meervoud | basis |
| 25 | surf | Tegenwoordige tijd | uitdagend |
| 26 | C Ik praat nu met mijn zus over de ruzie van vanmorgen. | Tegenwoordige tijd | gemiddeld |
| 27 | A plant | Tegenwoordige tijd | gemiddeld |
| 28 | wonen | Tegenwoordige tijd | uitdagend |
| 29 | A bellen | Meervoud | gemiddeld |
| 30 | prachtig | Achtervoegsels | basis |
Uitwerkingen
1. Verlengen
- Aan het eind van een woord hoor je altijd een /t/. Dus: langer maken.
- Maak het woord langer: witte. Nu hoor je of het een d of een t is: een t.
- Je schrijft wit.
2. Verkleinwoorden
- Grondwoord: kom.
- Het grondwoord heeft een korte klank en eindigt op l, m, n, r of ng. Dan schrijf je de medeklinker dubbel (niet bij ng) en zet je er -etje achter.
- Je schrijft kommetje.
3. Achtervoegsels
- -ing schrijf je met ng, net als bij ding-dong.
- Je schrijft verzameling.
4. Verlengen
- Aan het eind van een woord hoor je altijd een /t/. Dus: langer maken.
- Maak het woord langer: witte. Nu hoor je of het een d of een t is: een t.
- Je schrijft wit.
5. Tegenwoordige tijd
- Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: wij.
- Meervoud: dan schrijf je het hele werkwoord: gaan.
6. Tegenwoordige tijd
- Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: de kaarsen (meervoud).
- Meervoud: dan schrijf je het hele werkwoord: branden.
7. Hoofdletters en punten
- Achter een vraag staat een vraagteken. Achter een uitroep of een bevel staat een uitroepteken.
- Goed is: Stop, je vergeet je helm op te zetten!
8. Hoofdletters en punten
- Namen van mensen, plaatsen, landen, talen en inwoners krijgen een hoofdletter, dagen en maanden niet.
- Goed is: In januari vloog Isa met haar tante naar Marokko.
9. Verkleinwoorden
- Grondwoord: bodem.
- Het grondwoord eindigt op een m. Dan zet je er -pje achter.
- Je schrijft bodempje.
10. Tegenwoordige tijd
- Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: de klanten (meervoud).
- Meervoud: dan schrijf je het hele werkwoord: betalen.
11. Voorvoegsels
- ge + recht = gerecht
- ge- is een voorvoegsel: een stukje dat vóór een woord komt. Dat schrijf je altijd hetzelfde.
- Je hoort vaak een stomme klank (/u/), maar je schrijft een e.
- Je schrijft gerecht.
12. Tegenwoordige tijd
- Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: ik.
- Ik-vorm: bij ik schrijf je alleen de ik-vorm, zonder t: leer.
13. Hoofdletters en punten
- Een zin begint met een hoofdletter en eindigt met een punt.
- Goed is: De kat zat hoog in de boom. Een buurman haalde haar met een ladder naar beneden.
14. Onthoudwoorden
- Dit woord moet je onthouden, er is geen regel voor. Je hoort i, je schrijft y.
- Je schrijft gymnastiek.
15. Woordsoorten
- Een zelfstandig naamwoord is een mens, dier, ding of begrip. Er kan de, het of een voor.
- zaal is een zelfstandig naamwoord.
16. Tegenwoordige tijd
- Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: ik.
- Ik-vorm: bij ik schrijf je alleen de ik-vorm, zonder t: proef.
17. Klankgroepen
- Klap het woord in klankgroepen: bu-ren.
- De klank is lang en staat aan het eind van de klankgroep: stukje weg, je schrijft één klinker.
- Je schrijft buren.
18. Hoofdletters en punten
- Namen van mensen, plaatsen, landen, talen en inwoners krijgen een hoofdletter, dagen en maanden niet.
- Goed is: Zoë las op zondag een spannend boek van een Zweedse schrijver.
19. Onthoudwoorden
- Je hoort hier geen verschil. Dit woord moet je onthouden. Lange ij.
- Je schrijft tijger.
20. Tegenwoordige tijd
- Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: wij.
- Meervoud: dan schrijf je het hele werkwoord: fietsen.
21. Zinsdelen
- Zet de zin in een andere tijd. Het woord dat dan verandert, is de persoonsvorm.
- Dat is controleert.
22. Klankgroepen
- Klap het woord in klankgroepen: bril-len.
- De klank is kort: dan schrijf je de medeklinker dubbel.
- Je schrijft brillen.
23. Samenstellingen
- zeil + boot = zeilboot
- Dit woord is gemaakt van twee woorden. Je schrijft ze aan elkaar, en elk woord blijft zoals het is.
- Je schrijft zeilboot.
24. Meervoud
- Bij dit woord maak je het meervoud met -s, zonder apostrof.
- Eén jongen, twee jongens.
25. Tegenwoordige tijd
- Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: ik.
- Ik-vorm: bij ik schrijf je alleen de ik-vorm, zonder t: surf.
26. Tegenwoordige tijd
- Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: ik.
- Ik-vorm: bij ik schrijf je alleen de ik-vorm, zonder t: praat.
27. Tegenwoordige tijd
- Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: de tuinman (enkelvoud).
- Ik-vorm + t: de ik-vorm eindigt al op een t, dus er komt geen tweede t bij: plant.
28. Tegenwoordige tijd
- Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: mijn neven (meervoud).
- Meervoud: dan schrijf je het hele werkwoord: wonen.
29. Meervoud
- De klank in bel is kort. Die moet kort blijven, dus je schrijft de medeklinker dubbel.
- Eén bel, twee bellen.
30. Achtervoegsels
- Het achtervoegsel klinkt als /ug/, maar je schrijft ig.
- Grondwoord: pracht.
- Je schrijft prachtig.