← Terug Download als PDF
Toch Weer Taal groep 6 · toets 202610

Proeftoets taal

Naam:

Datum:

Je hebt 45 minuten voor 30 opgaven. Een woordenboek mag niet. Schrijf je antwoord op de lijn; bij meerkeuze zet je een rondje om de goede letter. Weet je een opgave niet? Ga door en kom er later op terug.

  1. 1.
    In deze zin is wid fout geschreven. Schrijf het goed op.
    Na de verflaag was de muur van mijn kamer weer helemaal wid.

    Antwoord:

  2. 2.
    Maak een verkleinwoord van kom.

    Antwoord:

  3. 3.
    Welk woord hoort op de puntjes?
    Mijn oom heeft een van meer dan vijfhonderd postzegels.

    A verzamelink

    B verzameling

  4. 4.
    In deze zin is wid fout geschreven. Schrijf het goed op.
    Na de verflaag was de muur van mijn kamer weer helemaal wid.

    Antwoord:

  5. 5.
    Welke vorm hoort op de puntjes?
    Wij dit jaar met de hele klas op kamp naar Texel.

    A gaant

    B gaan

    C ga

    D gaat

  6. 6.
    Vul de juiste vorm in: tt (nu) – branden
    De kaarsen op de tafel en de taart staat klaar.

    Antwoord:

  7. 7.
    Waar staan de leestekens en hoofdletters goed?

    A Stop, je vergeet je helm op te zetten

    B stop, je vergeet je helm op te zetten!

    C Stop, je vergeet je helm op te zetten!

  8. 8.
    In welke zin staan de hoofdletters goed?

    A In januari vloog isa met haar tante naar marokko.

    B In januari vloog isa met haar tante naar Marokko.

    C In januari vloog Isa met haar tante naar Marokko.

    D In Januari vloog Isa met haar tante naar Marokko.

  9. 9.
    Maak een verkleinwoord van bodem.

    Antwoord:

  10. 10.
    Vul de juiste vorm in: tt (nu) – betalen
    De klanten tegenwoordig bij de kassa met hun telefoon.

    Antwoord:

  11. 11.
    In deze zin is grecht fout geschreven. Schrijf het goed op.
    Mohammed bestelde op vakantie een grecht dat hij niet kende.

    Antwoord:

  12. 12.
    Vul de juiste vorm in: tt (nu) – leren
    Ik vanavond de namen van alle planeten uit mijn hoofd.

    Antwoord:

  13. 13.
    Waar staan de leestekens en hoofdletters goed?

    A De kat zat hoog in de boom een buurman haalde haar met een ladder naar beneden.

    B De kat zat hoog in de boom. Een buurman haalde haar met een ladder naar beneden.

    C de kat zat hoog in de boom. Een buurman haalde haar met een ladder naar beneden

    D De kat zat hoog in de boom een. Buurman haalde haar met een ladder naar beneden.

  14. 14.
    Welk woord hoort op de puntjes?
    Bij klimmen we vandaag in de touwen.

    A gymnastik

    B gimnastiek

    C gymnastiek

  15. 15.
    Wat voor woord is zaal in deze zin?
    De drummer speelt een solo en de zaal klapt mee.

    A lidwoord

    B bijvoeglijk naamwoord

    C zelfstandig naamwoord

    D werkwoord

  16. 16.
    Welke vorm hoort op de puntjes?
    Ik eerst een beetje van de soep voordat ik er zout bij doe.

    A proefdt

    B proeft

    C proef

    D proefd

  17. 17.
    In deze zin is burren fout geschreven. Schrijf het goed op.
    De burren gaven een feest tot diep in de nacht.

    Antwoord:

  18. 18.
    In welke zin staan de hoofdletters goed?

    A Zoë las op zondag een spannend boek van een Zweedse schrijver.

    B zoë las op zondag een spannend boek van een zweedse schrijver.

    C zoë las op zondag een spannend boek van een Zweedse schrijver.

    D Zoë las op Zondag een spannend boek van een Zweedse schrijver.

  19. 19.
    In deze zin is tiger fout geschreven. Schrijf het goed op.
    De tiger sloop door het hoge gras naar zijn prooi.

    Antwoord:

  20. 20.
    Vul de juiste vorm in: tt (nu) – fietsen
    Wij vandaag langs de kust naar de vuurtoren.

    Antwoord:

  21. 21.
    Wat is de persoonsvorm in deze zin?
    De dokter controleert dinsdag mijn ogen in het ziekenhuis.

    A mijn ogen

    B controleert

    C in het ziekenhuis

    D dinsdag

  22. 22.
    In deze zin is brilen fout geschreven. Schrijf het goed op.
    In dit museum liggen brilen van wel tweehonderd jaar oud.

    Antwoord:

  23. 23.
    Uit welke twee stukken bestaat zeilboot?

    A ze + ilboot

    B zeilbo + ot

    C zeil + boot

    D zeilb + oot

  24. 24.
    Welk woord hoort op de puntjes?
    De drie bouwden samen een vlot op het kamp.

    A jongens

    B jongen's

    C jongenen

  25. 25.
    Vul de juiste vorm in: tt (nu) – surfen
    Ik het liefst als de golven bij het strand hoog zijn.

    Antwoord:

  26. 26.
    Welke zin is goed geschreven?

    A Ik praatd nu met mijn zus over de ruzie van vanmorgen.

    B Ik praatt nu met mijn zus over de ruzie van vanmorgen.

    C Ik praat nu met mijn zus over de ruzie van vanmorgen.

  27. 27.
    Welke vorm hoort op de puntjes?
    De tuinman deze herfst honderd tulpenbollen langs het pad.

    A plant

    B plantt

    C plantd

    D planten

  28. 28.
    Vul de juiste vorm in: tt (nu) – wonen
    Mijn neven nu op een boerderij vlak bij de Duitse grens.

    Antwoord:

  29. 29.
    Welk woord hoort op de puntjes?
    Op de markt in december hingen kleine zilveren aan elke kraam.

    A bellen

    B belen

  30. 30.
    In deze zin is prachtug fout geschreven. Schrijf het goed op.
    Vanaf de bergtop hadden we een prachtug uitzicht over het hele dal.

    Antwoord:

Antwoordblad

groep 6 · toets 202610

Score: van de 30 goed

De stof van groep 6 die ongeveer tot en met november aan bod is geweest.

Nr. Antwoord Onderwerp Niveau
1 wit Verlengen basis
2 kommetje Verkleinwoorden gemiddeld
3 B verzameling Achtervoegsels gemiddeld
4 wit Verlengen basis
5 B gaan Tegenwoordige tijd basis
6 branden Tegenwoordige tijd gemiddeld
7 C Stop, je vergeet je helm op te zetten! Hoofdletters en punten gemiddeld
8 C In januari vloog Isa met haar tante naar Marokko. Hoofdletters en punten uitdagend
9 bodempje Verkleinwoorden uitdagend
10 betalen Tegenwoordige tijd uitdagend
11 gerecht Voorvoegsels uitdagend
12 leer Tegenwoordige tijd basis
13 B De kat zat hoog in de boom. Een buurman haalde haar met een ladder naar beneden. Hoofdletters en punten gemiddeld
14 C gymnastiek Onthoudwoorden gemiddeld
15 C zelfstandig naamwoord Woordsoorten gemiddeld
16 C proef Tegenwoordige tijd gemiddeld
17 buren Klankgroepen basis
18 A Zoë las op zondag een spannend boek van een Zweedse schrijver. Hoofdletters en punten gemiddeld
19 tijger Onthoudwoorden basis
20 fietsen Tegenwoordige tijd basis
21 B controleert Zinsdelen gemiddeld
22 brillen Klankgroepen gemiddeld
23 C zeil + boot Samenstellingen gemiddeld
24 A jongens Meervoud basis
25 surf Tegenwoordige tijd uitdagend
26 C Ik praat nu met mijn zus over de ruzie van vanmorgen. Tegenwoordige tijd gemiddeld
27 A plant Tegenwoordige tijd gemiddeld
28 wonen Tegenwoordige tijd uitdagend
29 A bellen Meervoud gemiddeld
30 prachtig Achtervoegsels basis

Uitwerkingen

1. Verlengen

  1. Aan het eind van een woord hoor je altijd een /t/. Dus: langer maken.
  2. Maak het woord langer: witte. Nu hoor je of het een d of een t is: een t.
  3. Je schrijft wit.

2. Verkleinwoorden

  1. Grondwoord: kom.
  2. Het grondwoord heeft een korte klank en eindigt op l, m, n, r of ng. Dan schrijf je de medeklinker dubbel (niet bij ng) en zet je er -etje achter.
  3. Je schrijft kommetje.

3. Achtervoegsels

  1. -ing schrijf je met ng, net als bij ding-dong.
  2. Je schrijft verzameling.

4. Verlengen

  1. Aan het eind van een woord hoor je altijd een /t/. Dus: langer maken.
  2. Maak het woord langer: witte. Nu hoor je of het een d of een t is: een t.
  3. Je schrijft wit.

5. Tegenwoordige tijd

  1. Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
  2. Onderwerp: wij.
  3. Meervoud: dan schrijf je het hele werkwoord: gaan.

6. Tegenwoordige tijd

  1. Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
  2. Onderwerp: de kaarsen (meervoud).
  3. Meervoud: dan schrijf je het hele werkwoord: branden.

7. Hoofdletters en punten

  1. Achter een vraag staat een vraagteken. Achter een uitroep of een bevel staat een uitroepteken.
  2. Goed is: Stop, je vergeet je helm op te zetten!

8. Hoofdletters en punten

  1. Namen van mensen, plaatsen, landen, talen en inwoners krijgen een hoofdletter, dagen en maanden niet.
  2. Goed is: In januari vloog Isa met haar tante naar Marokko.

9. Verkleinwoorden

  1. Grondwoord: bodem.
  2. Het grondwoord eindigt op een m. Dan zet je er -pje achter.
  3. Je schrijft bodempje.

10. Tegenwoordige tijd

  1. Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
  2. Onderwerp: de klanten (meervoud).
  3. Meervoud: dan schrijf je het hele werkwoord: betalen.

11. Voorvoegsels

  1. ge- is een voorvoegsel: een stukje dat vóór een woord komt. Dat schrijf je altijd hetzelfde.
  2. Je hoort vaak een stomme klank (/u/), maar je schrijft een e.
  3. Je schrijft gerecht.

12. Tegenwoordige tijd

  1. Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
  2. Onderwerp: ik.
  3. Ik-vorm: bij ik schrijf je alleen de ik-vorm, zonder t: leer.

13. Hoofdletters en punten

  1. Een zin begint met een hoofdletter en eindigt met een punt.
  2. Goed is: De kat zat hoog in de boom. Een buurman haalde haar met een ladder naar beneden.

14. Onthoudwoorden

  1. Dit woord moet je onthouden, er is geen regel voor. Je hoort i, je schrijft y.
  2. Je schrijft gymnastiek.

15. Woordsoorten

  1. Een zelfstandig naamwoord is een mens, dier, ding of begrip. Er kan de, het of een voor.
  2. zaal is een zelfstandig naamwoord.

16. Tegenwoordige tijd

  1. Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
  2. Onderwerp: ik.
  3. Ik-vorm: bij ik schrijf je alleen de ik-vorm, zonder t: proef.

17. Klankgroepen

  1. Klap het woord in klankgroepen: bu-ren.
  2. De klank is lang en staat aan het eind van de klankgroep: stukje weg, je schrijft één klinker.
  3. Je schrijft buren.

18. Hoofdletters en punten

  1. Namen van mensen, plaatsen, landen, talen en inwoners krijgen een hoofdletter, dagen en maanden niet.
  2. Goed is: Zoë las op zondag een spannend boek van een Zweedse schrijver.

19. Onthoudwoorden

  1. Je hoort hier geen verschil. Dit woord moet je onthouden. Lange ij.
  2. Je schrijft tijger.

20. Tegenwoordige tijd

  1. Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
  2. Onderwerp: wij.
  3. Meervoud: dan schrijf je het hele werkwoord: fietsen.

21. Zinsdelen

  1. Zet de zin in een andere tijd. Het woord dat dan verandert, is de persoonsvorm.
  2. Dat is controleert.

22. Klankgroepen

  1. Klap het woord in klankgroepen: bril-len.
  2. De klank is kort: dan schrijf je de medeklinker dubbel.
  3. Je schrijft brillen.

23. Samenstellingen

  1. Dit woord is gemaakt van twee woorden. Je schrijft ze aan elkaar, en elk woord blijft zoals het is.
  2. Je schrijft zeilboot.

24. Meervoud

  1. Bij dit woord maak je het meervoud met -s, zonder apostrof.
  2. Eén jongen, twee jongens.

25. Tegenwoordige tijd

  1. Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
  2. Onderwerp: ik.
  3. Ik-vorm: bij ik schrijf je alleen de ik-vorm, zonder t: surf.

26. Tegenwoordige tijd

  1. Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
  2. Onderwerp: ik.
  3. Ik-vorm: bij ik schrijf je alleen de ik-vorm, zonder t: praat.

27. Tegenwoordige tijd

  1. Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
  2. Onderwerp: de tuinman (enkelvoud).
  3. Ik-vorm + t: de ik-vorm eindigt al op een t, dus er komt geen tweede t bij: plant.

28. Tegenwoordige tijd

  1. Tijd: het gebeurt nu, dus tegenwoordige tijd.
  2. Onderwerp: mijn neven (meervoud).
  3. Meervoud: dan schrijf je het hele werkwoord: wonen.

29. Meervoud

  1. De klank in bel is kort. Die moet kort blijven, dus je schrijft de medeklinker dubbel.
  2. Eén bel, twee bellen.

30. Achtervoegsels

  1. Het achtervoegsel klinkt als /ug/, maar je schrijft ig.
  2. Grondwoord: pracht.
  3. Je schrijft prachtig.